-A A +A

Zefanja - Semper reformanda (1)

Jaargang: 
12
Datum: 
26 sep. 2018
Nummer: 
16
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
2093

Sef. 1:1 – 4:

1   Het woord van de HEERE dat gekomen is tot Zefanja, de zoon van Cusji, de zoon van Gedalia, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia, in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda.

2   Ik zal alles volkomen wegvagen van de aardbodem, spreekt de HEERE.

3   Ik zal mens en dier wegvagen, Ik zal de vogels in de lucht en de vissen in de zee wegvagen en de struikelblokken, samen met de goddelozen; ja, Ik zal de mensen uitroeien van de aardbodem, spreekt de HEERE.

4   Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda en tegen alle inwoners van Jeruzalem.

 

In de dagen van Josia

De profeet Zefanja treedt op tijdens de regering van de koning Josia. In dezelfde tijd als de profeet Jeremia. In die tijd is het tienstammenrijk al naar Babel weggevoerd. Het tweestammenrijk (Juda en Benjamin) leeft dan   nog in hun land met Jeruzalem als hoofdstad. Het is voor de kerk een moeilijke tijd. Want er is al de dreiging van de kant van de koning van Babel. Dat is strafdreiging van de kant van de HEERE, zoals Zefanja moet horen in 1: 4:

“ Ik zal mijn hand uitstrekken tegen Juda en tegen alle inwoners van Jeruzalem. ”

De maat van de zonden is vol. Dat geldt nu ook het achtergebleven volk Juda.

 

Bijzonder is dat Zefanja deze gerichtsaankondiging moet brengen onder koning Josia. Dus niet tijdens de regering van een goddeloze koning. Nog opmerkelijker is dat er onder koning Josia zelfs een reformatie gaande is. Terugkeer naar God en Zijn Woord, terugkeer naar Zijn verbond. Het wetboek van Mozes, het boek Deuteronomium, is teruggevonden. Koning en volk hebben zich voor de HEERE verootmoedigd. Er is een indrukwekkende verbondsvernieuwing op gevolgd.

Ze hebben hun zonden van afgodendienst en van het verwaarlozen van de dienst van de HEERE beleden. De wet van het verbond is weer tot richtsnoer voor het leven verheven.

De Baäls zijn verwijderd. Zelfs de hoogten, dat zijn de heuvels waar afgodendienst plaats vond, zijn omvergehaald. En het Pascha is weer gevierd na lange, lange tijd. Werkelijk een ingrijpende reformatie! U kunt het nalezen in 2 Kron. 34 en 35.

 

Zo is er dan weer hoop ontstaan voor Juda. Het volk heeft zijn HEERE en God weergevonden! Ja, God heeft Zich in Zijn genade weer laten vinden. Koning Josia dient de HEERE oprecht, zodat over hem wordt geschreven in 2 Kon. 23:25:

Vóór hem was er geen koning aan hem gelijk, die zich met heel zijn hart, heel zijn ziel en met heel zijn kracht tot de HEERE bekeerd had, overeenkomstig de hele wet van Mozes; en na hem stond zijns gelijke niet op.

 

 

Verbijsterend

Maar hoe diep gaat deze reformatie en hoe lang blijft ze doorwerken?

Is er een bestendige, een duurzame verbondsvernieuwing? Helaas niet. Want wat zien we daarna? Dat er in korte tijd weer zo’ n verval is, dat alles wat opgebouwd is door deze gelovige koning, in korte tijd weer wordt afgebroken. Ja, in schijn wordt de HEERE nog wel gediend, maar de harten zij dan al weer van de HEERE afgeweken.

In diezelfde tijd spreekt de HEERE daarom tot Jeremia over een “ samenzwering” onder de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. Jer. 11:10, 11:

Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden van hun voorvaderen, die geweigerd hebben naar Mijn woorden te luisteren. Wat hen betreft, zij zijn andere goden achternagegaan om die te dienen. Het huis van Israel en het huis van Juda hebben Mijn verbond verbroken, dat Ik met hun vaderen gesloten had.

 

Daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga over hen onheil brengen waaraan zij niet kunnen ontkomen. Als zij dan tot Mij roepen, zal Ik niet naar hen luisteren.

 

 

De HEERE spreekt van een samenzwering: een stille revolutie tegen God, die Zijn verbond met hen vernieuwd heeft.

 

In deze context moeten we het opreden van Zefanja plaatsen. Dat deze profeet Gods oordeel moet aankondigen vanwege de afval van Juda en Jeruzalem is dus verbijsterend, omdat dit plaatsvindt ondanks het grote appel dat vanuit de reformatie door koning Josia op het volk is uitgegaan. Zelfs met de ballingschap van het tienstammenrijk nog vers in het geheugen, bleek de verootmoediging van Juda maar heel weinig waard te zijn geweest.

 

Kennelijk is de bekering bij het overgrote deel van het volk aan de buitenkant gebleven.

In tegenstelling tot bij koning Josia, heeft bij de meesten geen reformatie van het hart plaats gevonden. De zondige geest die de vader van Josia, Amon, en zijn grootvader Manasse beheerste, heeft zich al te zeer geworteld in de harten van het volk (2 Kron. 33:22; 2 Kon. 23:26). Zij keren daarom weer gemakkelijk terug naar de ongerechtigheden van hun voorvaderen (Jer. 11:10).

 

De dreiging van Gods verbondswraak

De HEERE is nu vertoornd over zijn ontrouwe volk. Vers 2 en 3 spreken van een volkomen gericht over mens èn schepping. Dat spreekt de HEERE uit in Zijn verbondswraak. Die wraak is erger dan Zijn gericht over de heidenvolken. Want Gods eigen volk versmaadt Zijn liefde die naar hen uitgaat in Zijn liefdesverbond. In Sef. 1:18 neemt de profeet alle valse gerustheid weg:

Door het vuur van Zijn na-ijver zal heel dit land verteerd worden, want Hij zal zeker en spoedig een vernietigend einde maken aan alle inwoners van het land.

 

 

Zo’ n ernstig oordeel spreekt ook de Heere Jezus uit over Gods ontrouwe verbondsvolk omdat het zich niet wil bekeren, als Hij Zelf hen als de gekomen Messias tot bekering oproept en voor hun ogen tekenen en wonderen doet, Math. 11:23, 24:

En u, Kapernaum, die tot de hemel toe verhoogd bent, u zult tot de hel toe neergestoten worden. Want als in Sodom de krachten waren gebeurd die in u hebben plaatsgevonden, dan zou het tot op de huidige dag gebleven zijn.

 

Maar Ik zeg u dat het voor het land van Sodom verdraaglijker zal zijn op de dag van het oordeel dan voor u.

 

                     

Deze woorden houden ook voor ons een waarschuwing in. Als wij afwijken van Gods verbond, als nieuwtestamentische kerk, mogen we daar nooit licht over denken. Alsof in onze tijd de HEERE wel een compromis met de wereld en uitwendige godsdienst zou willen gedogen. Gods oordeel zal het zwaarst de kerk treffen, die ondanks het hebben van Gods Woord van de levende God afvalt. Juist tegenover hen blijkt Hij een verterend vuur (Hebr. 12:29).

 

Dat de HEERE ook in de kerk dreigt met zijn straf moeten we zien als genade: zo wil Hij onder Zijn volk nog terugkeer bewerken! Zo wil Hij zijn kerk nog bewaren te midden van afval en doen ontkomen aan Zijn gericht. Steeds geldt Jes. 1:9 zoals ook geciteerd in Rom. 9:29:

Als de HEERE van de legermachten ons niet een gering aantal ontkomenen had overgelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk geworden zijn .

 

(wordt vervolgd)